Geen belastingverdrag: één persoon, twee woonplaatsen?

Waar woont iemand fiscaal wanneer hij zijn leven over twee landen heeft verdeeld en tussen die landen geen belastingverdrag [1] bestaat? Dan krijgt het ogenschijnlijk eenvoudige artikel 4 AWR grote betekenis en kan de uitkomst tegen het woongevoel indruisen.

Artikel 4, eerste lid, AWR bepaalt dat waar iemand woont, ‘naar de omstandigheden wordt beoordeeld’. Inschrijving in de BRP, nationaliteit of het bezit van een woning kunnen relevant zijn, maar uiteindelijk moeten alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

Volgens vaste rechtspraak komt het in Nederland erop aan of tussen de betrokkene en Nederland ‘een duurzame band van persoonlijke aard’ aanwezig is. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat een band met Nederland niet sterker behoeft te zijn dan de band met een ander land. Evenmin is vereist dat het middelpunt van iemands leven zich in Nederland bevindt. Personen die een groot deel van hun leven in een niet-verdragsland slijten, kunnen dus als Nederlands belastingplichtigen worden aangemerkt terwijl ze dat gevoel absoluut niet hebben.

Zo is het mogelijk dat iemand die sterke banden met een ander land onderhoudt toch als binnenlands belastingplichtige wordt aangemerkt in het geval er ook duurzame persoonlijke banden met Nederland zijn.

Bij de beoordeling of sprake is van Nederlands belastingplicht kunnen onder meer de feitelijke verblijfplaats, een beschikbare woning, de woonplaats van partner en gezin, sociale contacten, werkzaamheden en zakelijke en financiële betrekkingen een rol spelen. Er bestaat daarbij geen vaste rangorde. Het gaat om het totaalbeeld.

Juist hier wordt het ontbreken van een belastingverdrag belangrijk. Heeft iemand een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, dan kan hij hier als binnenlands belastingplichtige worden aangemerkt, ook wanneer een andere staat hem eveneens als inwoner beschouwt. De sterke(re) banden met dat andere land sluiten een Nederlandse fiscale woonplaats niet uit.

Bestaat wél een verdrag en beschouwen beide staten iemand volgens hun nationale recht als inwoner, dan bevatten belastingverdragen doorgaans regels om die dubbele woonplaats voor verdragsdoeleinden op te lossen. Afhankelijk van het toepasselijke verdrag wordt bijvoorbeeld gekeken naar de duurzame woning, het middelpunt van de levensbelangen en het gewoonlijk verblijf. Zonder verdrag ontbreekt die ‘tie-breaker’.

Daarmee zit de scherpte van artikel 4 AWR vooral in wat er níet staat. De vraag is niet: waar woont iemand het meest? De vraag is of zijn feitelijke banden met Nederland voldoende duurzaam en persoonlijk zijn. Zonder belastingverdrag kunnen daardoor twee staten dezelfde persoon als inwoner behandelen, zonder verdragsrechtelijke tie-breaker die dat conflict oplost. Met alle financiële gevolgen van dien.

[1] Nederland heeft bijvoorbeeld geen belastingverdrag met Angola, de Bahama’s, Chili, Colombia, de Kaaimaneilanden, Kenia, Monaco, Peru en Uruguay.

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten