Geen bezwaar? Dan geen Kerst(arrest-)cadeau

Op 25 juni 2026 wees de Hoge Raad twee arresten in zaken van zogenoemde niet-bezwaarmakers.[1] Deze belanghebbenden hadden geen bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde aanslagen inkomstenbelasting 2017-2020 met daarin een box 3-heffing over een (hoog) forfaitair rendement. Op grond van het Kerstarrest claimden zij in 2022 alsnog dat zij slechts mochten worden belast over het werkelijk behaalde rendement.[2] De inspecteur stelde vast dat sprake was van een verzoek om ambtshalve vermindering. Hij wees dit af op grond van het voorschrift van art. 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting. Daarin staat dat nieuwe jurisprudentie geen grond vormt voor een ambtshalve vermindering.[3]

De rechtbank stelde de inspecteur in het gelijk. Volgens de rechtbank had de Hoge Raad al in 2022 beslist dat het Kerstarrest nieuwe jurisprudentie als bedoeld in art. 45aa vormt.[4] Volgens het arrest uit 2022 is er geen plaats voor ambtshalve vermindering van aanslagen die al voor de datum van het Kerstarrest onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank verwierp de stelling dat uit arresten van voor het Kerstarrest al duidelijk was dat de opgelegde aanslagen onjuist waren, omdat die arresten gingen over de jaren tot en met 2017. Het Kerstarrest had juist betrekking op het per 1 januari 2017 gewijzigde box 3-stelsel. Op 25 juni 2026 oordeelde de Hoge Raad dat deze beslissing van de rechtbank juist was. Hij voegt daaraan toe dat dit gewijzigde stelsel zodanig afwijkt van het oude, dat het Kerstarrest in vergelijking met eerdere arresten nieuwe jurisprudentie vormt. Bovendien wijst de Hoge Raad erop dat hij zich in het Kerstarrest voor het eerst genoodzaakt zag “een belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen een geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten”.[5][6]

Het arrest maakt duidelijk dat, als de betreffende regelgeving nog niet eerder is beoordeeld, of ten opzichte van eerder beoordeelde regelgeving ingrijpend is gewijzigd, sprake zal zijn van nieuwe jurisprudentie. Ook een verschil in de aan het oordeel verbonden (rechts)gevolgen is kennelijk van belang bij deze beoordeling.

De Hoge Raad acht de afwijzingsgrond ‘nieuwe jurisprudentie’ evenmin strijdig met het evenredigheidsbeginsel. Conform de voorwaarden uit het belastingrente-arrest moet worden onderzocht of de gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen bij de totstandkoming van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering. Uit parlementaire stukken blijkt dat dit het geval is, aldus de Hoge Raad: algemene overwegingen van rechtszekerheid en praktische overwegingen enerzijds, en het financiële belang van burgers anderzijds.[7]  De nieuwe jurisprudentie-uitzondering houdt dus stand.[8]

De vijfjaarstermijn als afwijzingsgrond speelde hier niet.[9] Zou die de evenredigheidstoets doorstaan?


[1] Hoge Raad 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907 en ECLI:NL:HR:2026:1013. Alleen in de eerstgenoemde worden de uitgangspunten en de motivering genoemd. In het andere arrest wordt hiernaar verwezen. De verwijzingen en weergaven in deze 400 woorden zien dan ook op het eerstgenoemde arrest ECLI:NL:HR:2026:907. 

[2] HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

[3] Art. 45aa, aanhef en onder b, luidt: “De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij: (…)
b. de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

[4] HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.

[5] HR 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907, ro. 4.2.2.

[6] HR 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907, ro. 4.2.2.

[7] HR 25 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:907, ro. 4.4.4. onder verwijzing naar de onderdelen 5.22. en 5.23 van de conclusie van de A-G (Conclusie A-G 8 mei 2026, ECLI:NL:PHR:206:463). De A-G verwees op zijn beurt naar Kamerstukken II 1952/53, 2800, nr. 9, en Handelingen II 1952/1953, nr. 19.

[8] De Hoge Raad oordeelt dat evenmin sprake is van schending van een van de andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.

[9] Art. 45aa, aanhef en onder a, luidt: De inspecteur vermindert ambtshalve een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld zodra hem dat is gebleken, tenzij:

  1. vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

Geschreven door:

mr. Hans S.F. van Immerseel

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten