Fraus legis: mag de rechter repareren wat de wetgever bewust heeft opengelaten?

Wanneer een belastingplichtige binnen de letter van de wet blijft, maar handelt in strijd met doel en strekking daarvan, kan de inspecteur onder omstandigheden een beroep doen op het leerstuk van fraus legis. Dit ‘rechtersrecht’ geldt als ultimum remedium, maar in de praktijk haalt de Belastingdienst dit leerstuk steeds vaker – met wisselend succes – van stal.[1] Een recente uitspraak van Rechtbank Gelderland laat echter zien dat fraus legis in beginsel niet kan worden gebruikt om een door de wetgever bewust gemaakte keuze te corrigeren.[2]

In de betreffende zaak stond de toepassing van de BPM-regelgeving[3] bij zogenoemde ‘door-export’ centraal. Het voertuig werd op 3 juli 2017 in Duitsland geregistreerd en vervolgens op 6 juli 2017 geëxporteerd naar Montenegro. De inspecteur stelde dat de registratie uitsluitend diende om BPM-teruggaaf te verkrijgen, omdat belanghebbende toen al wist dat de auto naar Montenegro zou worden geëxporteerd. Een commerciële reden voor de tussenregistratie in Duitsland zou ontbreken.

Volgens vaste rechtspraak moet bij fraus legis zowel aan het motief- als aan het normvereiste worden voldaan. Het doorslaggevend motief voor de gekozen constructie moet belastingbesparing zijn én het bereikte resultaat moet in strijd zijn met doel en strekking van de wet. In casu draaide het vooral om de vraag of aan het normvereiste was voldaan.

In de autobranche gaan regelmatig auto’s na registratie in een EU/EER-land direct naar een land buiten de EU/EER met (uitsluitend) als doel een BPM-teruggave te verkrijgen. Om dit te voorkomen is art. 14a Wet BPM per 1 januari 2016 gewijzigd. Sindsdien wordt een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving niet meer geaccepteerd.[4]

De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis expliciet stilgestaan bij het feit dat een voertuig ook kort na een duurzame (niet-tijdelijke) registratie alsnog kan worden geëxporteerd naar landen buiten de EU/EER. Hiermee kan het ‘onbedoelde gebruik van teruggaafregeling BPM’ zich nog steeds voordoen. Desondanks heeft de wetgever bewust geen nadere voorwaarden, zoals een minimumduur, aan die registratie verbonden.

De rechtbank oordeelt dan ook dat bij een bewuste afweging van de wetgever op dit punt – met verwijzing naar een eerder oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden[5] – van fraus legis geen sprake kan zijn. Daarmee rijst de vraag of het huidige kennisgroepstandpunt, waarin staat dat dit anders kan zijn als de inschrijving uitsluitend dient om de teruggaaf te verkrijgen, niet aan herziening toe is nu daarmee (nog) niet aan het normvereiste is voldaan.[6] Voor nu is het afwachten of de Belastingdienst deze principiële kwestie aan de Hoge Raad voorlegt.


[1] Zoals HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1152, BNB 2021/137, HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1960, BNB 2026/46 en HR 5 september 2025, nr. 23/02746, BNB 2026/1c.

[2] Rb. Gelderland 8 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2628.

[3] Op grond van art. 14a Wet BPM wordt bpm-teruggaaf verleend wanneer de tenaamstelling van het voertuig in het Nederlandse kentekenregister vervalt, omdat het voertuig buiten Nederland wordt gebracht en het voertuig duurzaam wordt ingeschreven in een andere EU/EER-staat, waarbij een kentekenbewijs wordt afgegeven dat geen tijdelijke inschrijving betreft.

[4] Bijvoorbeeld een kentekenregistrie met een beperkte geldigheidsduur of een kentekengreistratie die niet voldoet aan de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen.

[5] Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1651.

[6] KG:013:2025:2 Export en teruggaaf van bpm bij kortdurende kentekeninschrijving.

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten