DAC 8: Fiscale gevolgen voor cryptobezitters en dienstverleners

De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB) wordt per 1 januari 2026 aangepast ten behoeve van de implementatie van ‘DAC 8’.[1] Voor cryptobezitters betekent dit dat hun cryptotransacties mogelijk bekend zullen worden bij de inspecteur.

Cryptodienstverleners en -exploitanten [2] zijn vanaf 2026 verplicht gegevens over hun klanten bij te houden. Vervolgens moeten deze gegevens uiterlijk 31 januari 2027 aan de Belastingdienst worden gerapporteerd. Het gaat om gegevens die relevant zijn voor de identificatie van de cryptobezitter alsook om transactiegegevens. De waarde op de peildatum wordt niet gerapporteerd, hetgeen betekent dat de inspecteur hiernaar zelf onderzoek dient te doen.

Als de aanbieder beschikt over een MiCA-vergunning, wordt gerapporteerd in het land dat de vergunning heeft verstrekt. Aanbieders zonder vergunning rapporteren in het land waarmee zij de sterkste binding hebben.[3] Gegevens worden vervolgens automatisch gedeeld met (i) de EU-lidstaten, (ii) niet-EU-landen die zich aangesloten hebben bij het Crypto-Asset Reporting Framework (CARF) en (iii) derde-landen waarmee Nederland een informatie-uitwisselingsverdrag heeft. Met het voorgestelde artikel 53ter AWR worden voornoemde informatieverplichtingen ook voor binnenlandse transacties verplicht gesteld.

Het opzettelijk of grofschuldig niet-nakomen van de rapportageplicht kan door de Minister van Financiën worden bestraft met een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.030.000.[4] Daarnaast kan tot strafrechtelijke vervolging worden overgegaan.[5]

De gerapporteerde transactiegegevens zullen door de Belastingdienst vooralsnog niet worden gebruikt voor het vooraf invullen van aangiften, maar voor het controleren van ingediende aangiften.[6] Volgens de wetgever betekent de internationale gegevensuitwisseling op zichzelf niet dat geen sprake meer kan zijn van een voor navordering vereist nieuwe feit.[7] Ook niet indien de inspecteur gegevens ontvangt waaruit blijkt dat de belastingplichtige cryptovaluta niet (geheel) heeft aangegeven en de inspecteur vervolgens de aanslag vaststelt conform de aangifte. Redengevend is volgens de wetgever dat de internationale inlichtingen een bewerking moeten ondergaan voordat zij geschikt zijn voor het beoordelen van aangiften.

De gegevensuitwisseling heeft volgens de wetgever “niet zonder meer tot gevolg dat een belastingplichtige geen beroep meer kan doen op de inkeerregeling.[8] Om discussie over de vraag of sprake is van vrijwillige verbetering te voorkomen, verdient het mijns inziens aanbeveling om nog niet aangegeven cryptovaluta uiterlijk op 31 december 2025 te melden bij de inspecteur. Te meer nu aanbieders zijn gehouden om de te rapporteren bezitters van cryptoactiva te informeren over het feit dat gegevens en inlichtingen die hen betreffen worden gedeeld met de Belastingdienst.


[1] Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PbEU L 2023/2226) (Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva).

[2] Hierna: ‘aanbieders’.

[3] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 782, nr. 6, p. 8.

[4] Artikel 11, vierde lid (nieuw), WIB. Boete van de zesde categorie, zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, Sr.

[5] Dit gebeurt door de voorgestelde aanpassing van artikel 11, zevende lid, WIB.

[6] Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 782, nr. 4, p. 8.

[7] Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 782, nr. 3, p. 27.

[8] Zie noot 7.

Geschreven door:

mr. Carole J.M. Perraud

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten