Hoe vaak zeggen we dat niet? Mag de inspecteur dat ook zeggen? Of meer specifiek: mag de inspecteur, nadat hij een bezwaar ontvankelijk heeft verklaard en inhoudelijk uitspraak heeft gedaan, in (hoger) beroep stellen dat het bezwaar toch niet tijdig, en dus niet-ontvankelijk, is?

In principe staan het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel daaraan in de weg, sinds medio 2021 lijkt dat duidelijk. Toen hebben alle hoogste bestuursrechters zich daarover uitgesproken.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechter niet, ambtshalve of op initiatief van het bestuursorgaan, de niet tijdigheid van het bezwaar aan belanghebbende kan tegenwerpen.[1] Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt, als het bestuursorgaan in reactie op het bezwaar een inhoudelijk besluit neemt, in beroep niet, ambtshalve noch op initiatief van het bestuursorgaan, aan belanghebbende tegengeworpen dat het bezwaar niet tijdig was.[2] Deze rechtspraak was onderling afgestemd.[3]

De belastingkamer van de Hoge Raad wees in dezelfde periode ook een arrest over dit vraagstuk.[4] Opvallend was dat de Hoge Raad daarin alleen sprak over de ambtshalve toetsing van de tijdigheid door de rechter. De afwijkende formulering van de Hoge Raad liet ruimte voor de vraag of de inspecteur in (hoger) beroep nog het standpunt mag innemen dat het bezwaar niet-ontvankelijk was.

Op 20 maart jl. heeft de Hoge Raad die vraag beantwoord.[5] Uitgangspunt blijft dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zich verzetten tegen het alsnog inroepen van de niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding in een eerdere fase van de procedure. Voor een uitzondering daarop is nodig dat:

  1. Belanghebbende, voordat de inspecteur uitspraak deed, onjuiste of onvolledige feitelijke informatie aan de inspecteur heeft verstrekt die van belang is voor de beoordeling van de tijdigheid van het bezwaar of de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding;
  2. Belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor de ontvankelijkheid van het bezwaar niet goed en volledig kon beoordelen;
  3. De inspecteur op basis van de onjuiste of onvolledige informatie, dan wel het ontbreken van de aan hem onthouden juiste en volledige informatie, de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft aangenomen.

De Hoge Raad heeft hiermee zijn arrest uit 2021 verduidelijkt. Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel bieden de belanghebbende te goeder trouw bescherming. Als de belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij de inspecteur op het verkeerde been zette, dan ontbreekt die bescherming.


[1] CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500.

[2] ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730.

[3] Het CBB volgde op 12 oktober 2021, CBB 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:931.1.

[4] HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153.

[5] HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:451.

Geschreven door:

mr. Hans S.F. van Immerseel

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten