Schending van artikel 8:42 Awb verdient meer dan een waarschuwing

Het blijft de gemoederen bezighouden: de op de zaak betrekking hebbende stukken van artikel 8:42 Awb. De Hoge Raad oordeelde op 10 april jl. dat de beslissing van het hof, waarin werd geoordeeld dat de inspecteur voldoende had gemotiveerd dat bepaalde stukken (RIEC-stukken[1]) niet tot zijn beschikking stonden, onbegrijpelijk is.[2] Dat is logisch nu in de aanloop naar de cassatieprocedure via een Woo-verzoek bleek dat deze stukken wel degelijk bij de inspecteur aanwezig waren. De staatssecretaris heeft dat in de loop van de cassatieprocedure ook zelf aan de Hoge Raad te kennen gegeven.

Verder stond vast dat deze stukken relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. Los van de RIEC-stukken was ten tijde van het hoger beroep al duidelijk dat ook andere stukken[3] niet in de procedure waren gebracht door de inspecteur, zodat reeds sprake was van een schending van artikel 8:42, lid 1 Awb. Dit bleef, naar het oordeel van het hof, echter zonder gevolgen op grond van artikel 8:31 Awb. Volgens de Hoge Raad berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting dan wel op een onvoldoende motivering. De feitenrechter dient immers bij de toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval – waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding – mee te wegen.[4]

In tegenstelling tot het hof merkt de Hoge Raad het achterhouden van stukken aan als een in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de inspecteur en kent voor het eerst een proceskostenvergoeding van € 15.000 toe aan belanghebbende.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. Indien hof Arnhem-Leeuwarden gelet op de specifieke feiten en omstandigheden in deze zaak oordeelt dat aan de schending van artikel 8:42 Awb wél gevolgen moeten worden verbonden, ligt de lat hoog. Voor een belastingplichtige is het immers doorgaans nauwelijks mogelijk te bewijzen dat bepaalde stukken bestaan én ter beschikking van de inspecteur hebben gestaan. Gelet op de overige omstandigheden, zoals het – om welke reden dan ook – achterhouden van bestanden, is het voor de hand liggend dat hof Arnhem-Leeuwarden alsnog gevolgen zal verbinden aan deze schending.

Mede in het licht van de discussie rond het rapport over de informatieverstrekking door de Belastingdienst,[5] is het noodzakelijk om het achterhouden van stukken voor belastingplichtigen en rechters zoveel mogelijk terug te dringen. Het onbestraft laten van situaties waarin stukken niet zijn verstrekt, draagt daaraan niet bij, ook niet in minder extreme gevallen dan de onderhavige kwestie.


[1] Regionaal Informatie- en Expertise Centrum

[2] Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:571.

[3] De stukken waar het om ging waren (1) een (digitale) kopie of image van digitale gegevensdragers die zijn aangetroffen op computers van belanghebbende, (3) van de NVWA ontvangen informatie over I&R-registraties, (4) processen-verbaal van bevindingen naar aanleiding van steekproeven met betrekking tot de petlookaccounts, en (5) een proces-verbaal van 13 februari 2017 inzake een op artikel 81 AWR gebaseerde vordering gericht aan de boekhouder van belanghebbende.

[4] Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.3.4.

[5] https://open.overheid.nl/documenten/a35fabe0-67d3-4384-9e87-f42e34590763/file

Geschreven door:

mr. Irene M. Ippen

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten