Stand van zaken met betrekking tot de handhaving van de Wet DBA

Vanaf 1 januari 2026 is de handhaving van wet ‘Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties’ aangescherpt. De zogenoemde de ‘zachte landing’ van 2025 is verlengd, maar vanaf 2026 zijn er vergrijpboetes mogelijk in geval van opzet of grove schuld. Vanaf 2027 geldt de zachte landing niet meer en kunnen ook verzuimboetes worden opgelegd.[1] De Belastingdienst heeft aangegeven zich bij de handhaving voornamelijk te richten op opdrachtgevers.[2] Uit mediaberichten blijkt dat de Belastingdienst op dit moment in ieder geval bij bouwbedrijven controleert op schijnzelfstandigheid.

Uit de recent gepubliceerde ‘Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken 2026’ blijkt dat de toezicht en handhaving in beginsel starten met een bedrijfsbezoek.[3] Alleen in uitzonderlijke gevallen, zoals bij concrete risicosignalen of wanneer bij een controle op een ander belastingmiddel schijnzelfstandigheid wordt geconstateerd, kan direct gekozen worden voor een boekenonderzoek. Na afronding van een bedrijfsbezoek kan alsnog een boekenonderzoek worden gestart indien wordt ingeschat dat de opdrachtgever werkt met potentiële schijnzelfstandigen.

Wanneer bij een boekenonderzoek wordt vastgesteld dat arbeidsrelaties onjuist zijn gekwalificeerd, kunnen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 naheffingsaanslagen loonheffingen worden opgelegd.[4]  Een uitzondering geldt voor situaties waarin sprake is van kwaadwillendheid. In die situatie is het nu al mogelijk om tot maximaal vijf jaar terug naheffingen op te leggen. Kwaadwillendheid is een beleidsmatige kwalificatie en niet wettelijk gedefinieerd. Hiervan is sprake indien de opdrachtgever opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of laat voortbestaan. De Belastingdienst moet aannemelijk maken dat sprake is van een dienstbetrekking, evidente schijnzelfstandigheid en opzettelijk schijnzelfstandigheid om tot kwaadwillendheid te concluderen.[5]

Er bestaat aanzienlijke onduidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. Om hieraan meer duidelijkheid te geven is weer een nieuw wetsvoorstel ingediend, wet ‘Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden’. Dit voorstel breidt artikel 7:610 BW uit en artikel 7:610aa BW wordt toegevoegd.[6] In artikel 7:610 BW worden elementen genoemd voor het vaststellen van een gezagsverhouding, waaronder het verrichten van arbeid onder werkinhoudelijke en organisatorische aansturing door de werkgever, en niet voor eigen rekening en risico. Artikel 7:610aa BW introduceert een weerlegbaar rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst wanneer een uurtarief lager is dan € 36 per uur.[7] Dit rechtsvermoeden werkt overigens niet door binnen de fiscaliteit. De Belastingdienst toetst op basis van arbeid, loon en gezag conform artikel 7:610 BW.[8] De inwerkingtreding is voorzien per 1 juli 2026.[9]

Deze ontwikkelingen vragen van organisaties, adviseurs en zelfstandigen een zorgvuldige beoordeling van arbeidsrelaties, contracten en feitelijke uitvoering, zodat risico’s worden onderkend en toekomstige fiscale gevolgen worden beperkt.


[1] Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026, versie 2.0, par. 3.4.

[2] Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken 2026, versie 6.0, par. 1.1. De controle bij opdrachtnemers maakt onderdeel uit van het reguliere toezicht op de ingediende aangiften (par 4.4).

[3] Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken 2026, versie 6.0, par 1.2.

[4] Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026, versie 2.0, par. 3.3. Dat betekent dat de wettelijke naheffingstermijn van vijf jaar eerst in 2030 (weer) volledig benut kan worden.

[5] Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken 2026, versie 6.0, par 1.2. en 5.2.

[6] Kamerstukken II 2024/25, 36 783, nr. 2.

[7] Kamerstukken II 2024/25, 36 783, nr. 3, p. 104.

[8] Kamerstukken II 2024/25, 36 783, nr. 3, p. 93.

[9] Kamerstukken II 2024/25, 36 783 nr. 5.

 

Geschreven door:

mr. I.M. Ippen

Deel dit artikel

Kennisbank

Meer artikelen & actualiteiten